De nieuwe gang Beuningen – Solotentoonstelling

Solotentoonstelling De Nieuwe Gang, Beuningen, 31 mei t/m 28 juni 2009

Openingswoord

Welkom op deze mooie eerste Pinksterdag in Beuningen. Ik ben blij dat kunstenaarsinitiatief De Nieuwe Gang mij de gelegenheid biedt om mijn werk te tonen. En ik vind het fijn jullie allen te mogen begroeten bij de opening van mijn tentoonstelling. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik wat meer te vertellen over de achtergrond van mijn werk.

Vandaag presenteer ik de vruchten van mijn arbeid van de afgelopen drie jaar, een periode waarin ik me heb geconcentreerd op verdere verdieping. Toen ik in 2005 de balans opmaakte van mijn tentoonstelling bij Symbolon in Oss, kwam ik tot de conclusie dat het tijd werk mijn persoonlijke drijfveren en interesses nadrukkelijker tot uiting te laten komen. Mijn brede belangstelling had sinds mijn eindexamen door de jaren heen geleid tot wisselende invalshoeken en stijlen, abstract zowel als figuratief. Kijkend naar mijn favoriete kunstenaars viel op hoezeer hun werk uiteenloopt. De minimale, minutieus geschilderde abstracte doeken van de Amerikaanse kunstenaar Agnes Martin en de sobere reliefs van Jan Schoonhoven zijn me even lief als het rauwe, figuratieve werk van Philip Guston en Don van Vliet (de laatste beter bekend onder zijn artiestennaam Captain Beefheart). Zowel in mijn eigen creaties als in die van mijn grote voorbeelden had ik dus te maken met grote tegenstellingen, het kwam er nu op aan een keuze te maken.

Kiezen moest ik, vond ik. Dat eenmaal vastgesteld, diende zich het sleutelbegrip in mijn werk aan: de paradox. De paradox, een toestand of situatie die schijnbaar tegenstrijdig is, waarin sprake is van een innerlijke tegenspraak, begint al bij de qua omvang bescheiden doekjes, waarop ik thema’s van formaat aansnijd. De cirkel, die op uiteenlopende wijze in mijn werk terugkeert, wordt vaak in verband gebracht met perfectie en eenheid. Samengebracht tot een patroon, verwijzen ze naar de minimale of fundamentele schilderkunst, maar in een andere constellatie worden ze sensueel als de borsten van een vrouw. Ook bollen en ballen spelen hun spel, en relativeren aldus de in het werk besloten ernst.

In mijn verlangen naar het hogere ga ik, vaak letterlijk, door het stof. Het begon allemaal met hinderlijk rond dwarrelende haren en pluizen in mijn atelier. Hardnekkig zetten ze zich vast in het witte, met engelengeduld opgebouwde raster van witte cirkels op mijn doeken. Toen mijn verzet ertegen eenmaal gebroken was, en ik mezelf had overgegeven aan dit verval, bleek de inhoud van de stofzuigerzak een uiterst rijke inspiratiebron.

Recent deed de figuratie opnieuw zijn intrede in de vorm van de wilde plant. Zwijgzaam en weerloos getuigt ze van onuitroeibare krachten in de natuur en het leven. Fijnzinnige potloodtekeningen versmelten hier met stof en vuil. Twee fenomenen die schijnbaar onverenigbaar zijn: figuratie en abstractie zijn in dit werk samengebracht.

Zoekend naar de essentie herken ik juist in de materie steeds mijn werkveld, en vind ik schoonheid in verval.

Al nadenkend en lezend over het thema de paradox, kwam in enkele uitspraken tegen van denkers en auteurs die beter dan ik in staat zijn te verwoorden wat hen bezielt. Graag lees ik enkele citaten voor:

Allereerst uit het in 2007 postuum uitgegeven verzamelde werk van Arie Visser.

Het gedicht Quo Vadis? (Lat. voor Waar ga je naar toe?)

Ik wist niet wat ik wilde

en wilde niet naar wat ik wist

de vraag naar antwoord stilde

ik had mij niet voor niets vergist

Wat dit gedicht zo aantrekkelijk maakt is de gelijktijdige eenvoud en complexiteit ervan. Het stelt op raadselachtige wijze de vraag naar je bestemming in het leven aan de orde.

Uit deel I van de Gedichten van Emily Dickinson (US):

‘K Ben Niemand! Wie ben jij?

Ben jij -ook- Niemand? Wel-

Dan zijn we een stel! Maar hou

Het Stil! Of het wordt doorverteld!

Iemand – te zijn – hoe akelig!

Een junilang – gekwaak –

Als openbare kikvors – met

De hele Poel als claque!

Ik koos dit gedicht vanwege de vraag die het stelt naar het begrip identiteit. Voor haar had dit betrekking op haar dichterschap en de keuze om haar werk niet in de openbaarheid te brengen – dat gebeurde pas na haar dood. Als beeldend kunstenaar ervaar ik eveneens een zekere spanning tussen wat zich afspeelt in de binnenwereld en de buitenwereld. Hoe verhoud je je tot je omgeving en welke consequenties heeft dat voor je positie in maatschappij en kunstwereld?

Tot slot enkele uitspraken van Marten Toonder, afgelopen weken in het nieuws vanwege de naar hem genoemde oeuvreprijs voor stiptekenaars.

Paradox, 1992

‘Wat me in het zen-boeddhisme zo getroffen heeft is de paradox. Die maakt los wat in je denken vast is gaan zitten’. En hiervan geeft hij een fraai voorbeeld: ‘Een zen-leerling komt na een lange voettocht bij de grot van zijn meester, die in diep gebed verzonken in lotushouding zit voor een groot houten Boeddhabeeld. De zen-leerling begrijpt dat hij de meester niet kan storen en besluit zijn bezoek uit te stellen. De volgende dag arriveert hij bij de grot en ziet tot zijn verbijstering dat deze het houten Boeddhabeeld in mootjes staat te hakken. De houtstukken werpt hij in een vuurtje. De leerling rent naar binnen en vraagt: ‘Wat doet u nu? Gisteren zat u in meditatie voor het beeld en nu hakt u het in mootjes?’ De meester onderbreekt zijn arbeid, kijkt hem aan en zegt: ‘Ach, gisteren had ik behoefte aan meditatie, maar vandaag heb ik het koud.’

Wat je gelooft, is waar, 1992

Wat je gelooft is waar. Het betekent onder meer: geloven in jezelf en in de wereld die binnenin je zit en die minstens zo reeel is als de werkellijkheid in de buitenwereld. Het is meer dan zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen is als bouwen op ijs. Zolang het ijs niet breekt… Het is ook geloven in de binnenwereld, waarin je vrij bent. Daar kan het onvermoede waar worden. Veel mensen zijn zich niet bewust van die vrijheid. Daar ligt de oorsprong van veel wat later in de buitenwereld gestalte krijgt. Wie gelooft in zichzelf merkt dat zijn omgeving zich wijzigt en voegt. Dat heeft iets magisch.